Geschiedenis van Ed Seiler Piano’s en Vleugels

Seiler is een van oorsprong Duits pianomerk, dat na een enkele omzwerving sinds 1961 in Kitzingen is gevestigd. Voor de oorlog bouwde men in Liegnitz al hele mooie instrumenten. Seiler staat bekend om zijn transparante, edele toon. In 2008 is de fabriek overgenomen door Samick uit Korea en hebben de modellenlijnen zich enigszins gewijzigd.

Een Ed. Seiler is een oudere Seiler en honderd procent Duits. Later werd het Seiler en sinds Samick eigenaar is kwamen daar de goedkopere (grotendeels) Indonesische Eduard Seiler en Johannes Seiler bij.

Oprichter Eduard Seiler

De eerste honderd jaar Seiler (1849-1949)
Seiler bestaat al sinds 1849. Oprichter Eduard Seiler (1814-1875) kon in zijn jonge jaren niet alleen goed pianospelen, maar was ook handig als reparateur en stemmer. Hij was vanaf 1832 in de leer geweest bij Karl Hengstel en ging in 1835 werken voor instrumentenmaker Scholz. In zijn eigen werkplaats knapte hij instrumenten op en probeerde hij ze te verbeteren tot in 1849 de tijd rijp was om de pianofortes zelf te gaan bouwen. Zijn bedrijfje bevond zich in Liegnitz in het Pruisische Neder-Silezie, wat nu Legnica in zuidwest Polen is. Pruisen was in die tijd een groot en machtig koninkrijk en vanaf 1870 de grootste deelstaat van het Duitse Rijk. De Pruisische provincie Silezië industrialiseerde in de negentiende eeuw sterk; spoorwegen, post en telegrafie werden in snel tempo aangelegd. Seiler groeide uit tot de grootste en succesvolste pianobouwer in de regio.

De nieuwe stoom aangedreven fabriek van Seiler in Liegnitz

Zodra ze de leeftijd ervoor hadden kwamen Eduard Seilers zoons Paul en Max in het bedrijf. In 1874 werd het 25-jarig jubileum gevierd en werd een nieuw bedrijfsgebouw met stoomaandrijving in gebruik genomen. Het is ook het jaar dat de derde zoon, Johannes (geb. 1859) in de leer gaat bij zijn vader. In 1875 overlijdt oprichter Eduard Seiler en gaat het bedrijf over naar zijn weduwe en tien kinderen, waarvan de oudste zoon Paul verkoopleider wordt en zijn broer Max de technische leiding op zich neemt. Beide zoons overlijden echter al vier jaar later kort na elkaar na een ziekte. Johannes, die sinds 1877 op leerreis is, keert terug en neemt de technische leiding over, terwijl zijn zwagers Oswald Kasig en August Lauterbach de commerciële taken van Paul Seiler overnemen. De werving in het buitenland, m.n. Engeland, wordt waargenomen door de vijfde zoon Josef Seiler. Onder leiding van de tweede generatie Seiler groeide het bedrijf verder uit. Een houtzagerij met grote opslag kwam erbij en successievelijk gaat Seiler ook zelf zijn mechanieken bouwen, aanvankelijk middels het belang in en tenslotte door de overname van een mechaniekfabriek.

In 1896 en in 1907 worden er nieuwe fabrieken bijgebouwd. Ook worden er diverse filialen geopend: 1893 in Hamburg, 1906 in Breslau, 1909 in Londen, 1911 in Dresden. Op wereldtentoonstellingen worden vele prijzen in de wacht gesleept.

Als in 1907 Johannes overlijdt, volgt zijn neef Robert Lauterbach – oudste zoon van August Lauterbach – hem op. Vanaf 1910 mag Seiler zich meerdere malen hofleverancier noemen.

Intussen komt Anton Dütz als leerling bij het bedrijf (1906). Hij trouwt met Marianne Seiler, een dochter van Johannes Seiler en neemt vanaf 1915 de leiding van het filiaal in Dresden over en vanaf 1923 over de gehele fabriek. De periode van stagnatie door de Eerste Wereldoorlog was zo goed als achter de rug. Met zo’n 435 medewerkers werden in topjaar 1928 bijna 3000 instrumenten gebouwd.

Maar daarna volgden de crisisjaren en moesten alle filialen worden opgeheven. Vanaf 1933 trad er herstel in tot het dramatische einde in 1945. Seiler verloor haar fabriek in de Tweede Wereldoorlog en de familie vluchtte samen met vele andere Duitsers weg uit Liegnitz, dat nu bij Polen was gevoegd en tot Legnica werd omgedoopt. In de voormalige Seilerfabriek werden later de merken Legnica en Th. Betting gefabriceerd.

Nieuwe pianofabriek van Seiler in Kitzingen

Na de Tweede Wereldoorlog (1950-nu)
In 1951 begint Steffen Seiler-Dütz, zoon van Anton opnieuw in Kopenhagen. De honderd jaar pianobouwkennis van Seiler liet zich niet zomaar uitvlakken. Bij zijn vlucht had hij enkele constructietekeningen weten mee te nemen. Tot 1957 worden de Seiler piano’s in licentie  in de fabriek van Brødr Jørgensen in Kopenhagen gebouwd; in 1955 al weer de 1000ste naoorlogse piano. Vanaf 1957 werd Seiler onder licentie in Duitsland gebouwd bij Carl Müller in Langlau, en vanaf 1961 vestigde Seiler zich in Kitzingen, waar het zich nu nog steeds bevindt. In 1963 werd Zeitter&Winkelmann (gericht in 1837) overgenomen.

De tijden waren gunstig, want de vraag naar piano’s in de jaren ’60 en ’70 was enorm groot. In 1974 werd de 100.000ste Ed. Seiler piano gebouwd; de jaarproductie bedroeg in die tijd ongeveer 4.400. Veel aandacht werd besteed aan prachtige houtsoorten voor de kastuitvoeringen. H.P. Steenhuis piano’s en vleugels heeft vele jaren Seiler verkocht. Handelaren werden af en toe uitgenodigd. Steffen Seiler herinneren we ons als een aimabele man die zich het liefst een beetje bescheiden op de achtergrond hield.

Onder zijn leiding werd steeds gezocht naar technische verbeteringen. Bekende patenten waren de

  • Membrator-zangbodem (1983) herkenbaar aan de speciale buitenrand, die voor betere trillingseigenschappen zorgt en een compactere bouw mogelijk maakt zonder aan toonvolume of klankkwaliteit in te boeten
  • De Showmaster (1987), een ‘high-tech’ instrument qua uiterlijk en geluid, waarin een akoestisch instrument gecombineerd werd met een digitaal (MIDI) systeem.
  • de SMR-techniek (1995), waarbij twee magneetjes in het pianomechaniek voor een bijzonder repeterend vermogen zorgen,
  • Toon-Volume-Stabilisator (1996)
  • het DuoVox-Systeem, een silent systeem waarmee met koptelefoon stil worden gespeeld,

In 1998 overleed Steffen Seiler, waardoor hij het 150-jarig bestaan in 1999 niet meer kon meemaken. Zijn vrouw Ursula Seiler zette het bedrijf voort. In deze jaren werden drie pianomodellen (116, 122 en 131cm) en drie vleugelmodellen (180, 206 en 240 cm) in verschillende uitvoeringen op de Nederlandse markt gebracht.

In het nieuwe millennium gaat het slechter met de fabriek, evenals met andere Duitse merken helaas. Nog voor de financiële crisis goed en wel is begonnen, moet Seiler in 2008 faillissement aanvragen. Er zijn op dat moment nog zo’n 40 werknemers in dienst. Aan het eind van dat jaar neemt de Koreaanse fabriek Samick het bedrijf geheel over en is het merk ‘gered’. Samick had eerder al een aandeel in Bechstein, maar dit bedrijf werd door een investeerder voor haar neus weggekaapt. Met Seiler heeft Samick opnieuw voet op Europese bodem gezet.

In 2010 en 2013 komen er nieuwe modellenlijnen bij, waarmee Samick twee lagere prijssegmenten toevoegt. Het topsegment blijft de Seiler-serie (SE), die wordt geassembleerd in Kitzingen. Waar alle piano-onderdelen gemaakt worden is ons niet helemaal duidelijk. (In een YouTube filmpje van de PT. Samick Indonesiafabriek zie je vleugelklankbodems met de speciale buitenrand in beeld.) Daaronder komt de Eduard Seiler (ED), die mogelijk in de Samickfabriek in Indonesië wordt gebouwd met Duitse CNC-technologie en gebaseerd is op de Duitse modellen. In 2013 wordt de Johannes Seiler geïntroduceerd, een goedkopere serie, die geheel in de Indonesische Samickfabriek wordt vervaardigd en een Samick-mechaniek met Abel hamerkoppen krijgt.

HPSteFie